Op 8 april is het 80 jaar geleden dat Markelo werd bevrijd. In aanloop naar deze bijzondere datum besteden we extra aandacht aan gebeurtenissen uit de oorlogsjaren. In samenwerking met Stichting Herdenken en Vieren Vrijheid en Stichting Heemkunde Markelo blikken we terug op verhalen, die niet vergeten mogen worden. Vandaag het vijfde verhaal alweer: ‘Neergestorte vliegtuigen’.
Zoals al geschreven in onze publicatie van 7 februari begon in 1943 de oorlog meer en meer merkbaar te worden in Markelo. Het kwam toen meteen hard aan, voor het halve jaar om was stortten drie geallieerde bommenwerpers neer op Markelo’s grondgebied. Het ereveld op de Algemene Begraafplaats herinnert ons nog steeds daaraan. Het is geadopteerd door de Markelose basisscholen die er elk jaar, op 8 april, bloemen neerleggen.
In de nacht van 1 op 2 maart 1943 stortte aan de Stokkumerweg een Halifax neer die terugkwam van een raid (een vluchtcombinatie van bommenwerpers naar Duitsland) op Berlijn. Eén bemanningslid overleefde de ramp en werd krijgsgevangen gemaakt. De overige zes kwamen om het leven. Vijf daarvan konden worden geïdentificeerd, één bleef als “vermist” te boek staan.
Op 24 mei 1943 stortte een Lancaster neer aan de Witterietsweg. Het nam deel aan een raid op Dortmund. Twee bemanningsleden overleefden maar kwamen wel in Duitse handen. In 1992 en 1998 kwamen beiden nog eens terug om te gedenken en te herdenken. Op 23 juni 1943 stortte aan de Roosdomsweg een Stirling neer. Het toestel haalde haar doel, Mülheim niet. Het toestel was eerst geraakt door afweervuur en later definitief neergehaald door een Duitse jager. De 7-koppige bemanning kwam hierbij om het leven.
Anders was het met enige bemanningsleden van de Lancaster die in de nacht van 23 op 24 september 1944 neerstortte achter Lochem. Ook aangeschoten op de heenweg, met alle bommen nog aan boord. Er waren onder meer 30 stuks 500-ponders aan boord. De bommen werden gedropt om een eventuele noodlanding iets veiliger te maken en de piloot gaf opdracht aan de andere bemanningsleden het vliegtuig te verlaten.
De 500-ponders werden successievelijk gedropt in een lange rij richting Lochem. De bomkrater op de Kattenberg is daar nog een bewijs van, evenals de scherf die daarbij staat. Deze komt van een bom die neerkwam in de buurt van, destijds, Schorfhaar-Stoevelerbrook. De piloot, G.S. Stout, DFC kwam bij de crash om het leven. De navigator C.E.M. Graham werd levenloos gevonden aan de rand van de Zuurberg in Holten. Zijn parachute had niet goed gefunctioneerd.
De boordwerktuigkundige, A.W. Benting kwam neer achter Tempelman op de Borkeld. Gewond, beide benen gebroken en inwendig letsel, maar kon door het lossen van pistoolschoten de aandacht op zich vestigen. Hij werd naar het ziekenhuis in Enschede gebracht en overleed daar.
De radioman, R.J. Allen werd krijgsgevangen gemaakt bij Lochem en de staartschutter, R.H. Petch ontkwam en kon onderduiken in de regio Nijverdal. De overige twee kwamen in “aanraking” met de Markelose hulpverleners. De schutter uit de koepel op het vliegtuig, P.L. Whittaker, kwam op zijn vlucht uiteindelijk terecht bij Ebbekink (Peurtje).
Hier was de eerste opvang en kreeg hij eerste hulp van dokter Wanrooy. De man was gewond aan zijn arm, hij had een scherf in zijn elleboog. Hij had zijn naam opgegeven als Peter Lin. Snel werd er een vals persoonsbewijs geregeld op naam van Peter Linschoten, geboren te Eindhoven. Voor de Duitsers was dat niet meer na te trekken, Eindhoven was al bevrijd. Later kwam hij bij Buisweerd terecht, hier was hij bekend als “Lange Peter”. Omdat er ook een andere Peter was destijds, die kleiner van stuk was. Whittaker was tijdens de droppings bij Buisweerd een welkome versterking.
Bij Buisweerd ontmoette Whittaker zijn collega-vlieger W.A. (Bill) Rupert weer, de Canadese bommenrichter van het toestel. Rupert was geland in de buurt van de Markelose berg, was verdergelopen en had een plek gevonden bij de familie Roelvink onderaan de Kattenberg. Die dachten er niet aan hem aan de Duitsers uit te leveren. Anderzijds waren ze met hem niet erg gelukkig omdat ze ook al onderduikers in huis hadden. Omdat het in de juiste kringen bekend was, haalde wachtmeester Beunk hem op om hem naar Buisweerd te brengen. Bill Rupert vertelde later dat hij zich wezenloos was geschrokken toen hij door een man in uniform werd opgehaald.
Nog één detail moest geregeld worden: uniform uit en burgerkleren aan! Dokter Wanrooy had een pak ter beschikking gesteld dat ongeveer van Bills maat was. Bij het omkleden zag mevrouw Roelvink dat Bill een klein onderbroekje droeg. Met de woorden: “den kearl hef glat ginne onderbokse an” haalde ze een lange onderbroek uit de kast. Niet van harte, maar op aandringen van de anderen, trok Bill deze toch maar aan. Vervolgens achter op de fiets naar Buisweerd. Voor Whittaker en Rupert zou het verblijf bij Buisweerd nog een vervelend staartje krijgen. Bij de overval aldaar werden beiden gearresteerd en later als gevangene ondergebracht in de Kruisberg te Doetinchem. Beiden kwamen in de trein voor transport naar Neuengamme. De trein waarin ook onder andere dokter Romijn, Hardenberg, Hans Knegtmans en Obbe Spijkerman zaten. De laatste twee bekend van de verzetskring Holten-Markelo. Romijn en Hardenberg stierven in Neuengamme, de andere vier sprongen onderweg uit de trein en overleefden de oorlog.
In de loop van de oorlog zijn ook Duitse vliegtuigen neergestort op Markelo’s grondgebied. Dat was respectievelijk op 20 juli 1943 bij Nijkamp aan de Larenseweg, op 10 oktober 1943 op de hoek Westerflierweg/Lochemseweg en op 1 november 1944 aan de Driebelterweg. Volgens verschillende bronnen zou er aan de Rouwelaarsweg, achter Johan Platerink ook een toestel zijn neergekomen. Dit is door geen enkel officiële bron bevestigd.